sleutel

Uit: hoofdstuk 4, De sleutel tot je kind, Charlotte Visch, 2012


Stoere Martijn van 8 jaar
Martijn is een stevige knul. Hij wil graag met de pijl en boog spelen. Het is een plastic boog met een schuimrubber pijl, die door luchtdruk weggeschoten wordt. Ik teken voor die gelegenheid een schietschijf op het schoolbord en we kunnen aan de slag. Ik schrijf in de schietschijf de punten. In de roos zet ik 100 punten, daarbuiten 50 en 20, en in de buitenste cirkel schrijf ik 10 punten. Martijn heeft de boog al opgespannen. Hij schiet flink naast de roos: 10 punten. 

‘100!!’, hoor ik hem triomfantelijk roepen. Ik kijk hem aan en concludeer dat hij weet dat het niet waar is. Ik reageer verbaasd met: ‘Hé, vanaf de plaats waar ik stond, leek het niet zo.’ ‘Jawel, het was 100’, zegt Martijn met een stalen gezicht. Ik vraag me af wat hier precies gebeurt en besluit dit fenomeen nog wat verder te onderzoeken. ‘Van jouw plaats af zag je 100. Laat ik eens naast je gaan staan. Misschien zie ik het dan ook zo.’ Ik ga heel dicht op hem staan, waardoor hij nauwelijks ruimte heeft. Hij schiet. Dit keer is het in de 50. ‘100!!!’, roept hij weer. Ik doe overdreven verbaasd: ‘Tjonge-jonge-jonge, ik denk toch echt 50 te zien.’ Dit tafereel gaat nog een paar keer zo door.

Het doel hiervan is om Martijn alle ruimte en erkenning te geven voor dit gedrag.
Dan zeg ik vrolijk: ‘Weet je wat me opvalt … als jij bijvoorbeeld 50 schiet, dan hoor ik iemand zomaar “100” roepen, terwijl jij natuurlijk ook ziet dat het 50 is. Kijk eens in de kast of je een pop of dier ziet die het meest lijkt op diegene bij jou van binnen die steeds 100 roept.’

Martijn kijkt me strak aan. Loopt zonder een woord te zeggen naar de kast. Daar zitten wel honderd knuffels op de plank. Hij kijkt rond en pakt zonder aarzelen … Pinokkio! ‘Zet hem maar op de stoel. Dan kan hij zien wat we doen’, zeg ik. Martijn gaat verder met de pijl en boog. Hij schiet op de 20. ‘100’, roept hij en kijkt me aan. Ik kijk naar Pinokkio en roep: ‘Was jij dat, Pinokkio?’ Martijn schiet in de lach. Ik lach mee en vraag: ‘Waarom doet hij dat?’ Martijn blijft hikkend lachen. Ik vraag: ‘Helpt hij jou ergens mee of zo? Want hoe erg is het voor jou om 20 punten te schieten in plaats van 100?’

Martijn zegt heel snel en op één toon: ‘Als ik verlies, voel ik me verdrietig. Als hij “100” roept, dan kan ik winnen en dan voel ik me blij.’ Ik kijk hem rustig aan: ‘Hoe vind jij die manier van helpen? Want ik kan me voorstellen dat je erdoor in de problemen komt met je vriendjes. Die zullen het wel niet leuk vinden.’ Dat moet Martijn toegeven. Eigenlijk is die manier van Pinokkio niet een van de handigste. We spelen verder, en af en toe komt Pinokkio nog tussendoor. We moeten er allebei steeds om lachen. Totdat Martijn zegt: ‘Zo vind ik het niet leuk.’ Pinokkio mag van hem niet meer meekijken. Zijn muts wordt over zijn ogen getrokken. Ik stel voor om de pijlen aan de punt met stoepkrijt te kleuren. Martijn vindt het een goed idee: ‘Zo kunnen we precies zien waar de pijl tegenaan komt.’ Martijn geeft de pijlen aan de uiteinden, met het stoepkrijt, een kleur. De afdruk van het krijt is duidelijk te zien op het schoolbord. Pinokkio is uitgerangeerd. Martijn besteedt de andere sessies aan het verstevigen van zijn eigen kern. Hij kan het gevoel van verliezen aan en hoeft dus niet meer te liegen. 

 

Nieuwsbrief ontvangen?

Nederlandse Academie
voor Psychotherapie

Andreas Schelfhoutstraat 48
1058 HV Amsterdam
T: 020 - 615 04 94